Ondertussen zijn we alweer in Windhoek, de hoofdstad van Namibië aangeland. Misschien nog daas van de vele fietskilometers die we de afgelopen dagen hebben weggewerkt kunnen we onze indrukken nog niet zo goed plaatsen. Het is veruit de rijkste, meeste westerse stad die we tot nu toe hebben gezien, maar op straat werden we al binnen tien minuten serieus belaagd door een stel zakkenrollers. Gelukkig lette Gwen goed op. Medefietsers vertelden dat ze al minstens vijf keer de ritsen van hun rugzak hadden moeten dichtdoen. ’s Avonds op straat schijnt het niet bij zakkenrollen te blijven, dan gaat het er gewelddadiger aan toe. In een museum leek de bewaking samen met de kassier een wisseltruc te willen uithalen toen ik voor mijn toegang betaalde. Politiek is het ook niet eenduidig. Op zoek naar de toeristische highlights kom je via de Fidel Castro straat in de Robert Mugabe straat waaraan alle belangrijke overheidsgebouwen liggen. Ertussen staat het ‘Reiterdenkmahl’, een gedenkteken voor de Duitsers die zijn omgekomen tijdens een uitroei missie tegen de oorspronkelijke bevolking die aan het begin van de 20ste eeuw in opstand was gekomen. Ergens buiten het centrum schijnt er een Herman Göring straat te zijn, maar dat is dan de vader van de bij ons bekende zoon.
Windhoek centrum
Afrikaans, de taal die tot het begin van de 20ste eeuw werd beschouwd als een dialect van het Nederlands, is hier veelal de voertaal. In Zuid-Afrika was de taal sterk geassocieerd met de apartheid en de blanke onderdrukking, hier spreken veel zwarte mensen ook onderling Afrikaans.
Ter nadere informatie voor degenen die misschien niet gelijk alles kunnen plaatsen: Namibië is tot het einde van de eerste wereldoorlog een Duitse kolonie geweest, daarna tot de onafhankelijkheid in 1990 een Zuid-Afrikaans protectoraat.
De afgelopen dagen weer door schitterende landschappen gefietst. Botswana heeft wel wat weg van onze polders. Plat, eindeloze rechte wegen, en veel wind. Het is overdag alleen een flink stuk warmer, en af en toe steekt er een olifant over. Via de Trans-Kalahari highway, een tweebaansweg, maar wel met goed asfalt, fietsten we richting Namibië. De Kalahari is overigens geen woestijn, zoals bijna iedereen denkt, maar semi-woestijn. Hele stukken kunnen er nog behoorlijke bomen staan, anders stukken groeien er vooral lage struiken. In Namibië kreeg het landschap wat meer variatie. Af en toe een rivierdalletje, overigens wel volkomen droogliggend, en een enkele berg in de verte. De begroeiing nam zienderogen af, iets voorbij Windhoek komen we waarschijnlijk in de echte woestijn.
We hebben bij aankomst in Windhoek snel het Tour d’Afrique kamp achter ons gelaten, en toevlucht gezocht in een lekker hotel in het centrum van de stad. Eventjes bijkomen van al dat gefiets. Op de langste dag sinds Maun (Botswana) bleef de teller staan op ruim 210 kilometer, de afgelopen vijf dagen hebben we totaal bijna 850 kilometer afgelegd. Weliswaar meestal met een windje in de rug, en pas op het laatst weer wat fikse heuvels, maar toch vermoeiend genoeg.
Naast dat we vonden dat we wel wat verwennerij verdiend hadden bleek het TDA kamp niet voor de eerste keer een dikke onvoldoende te scoren voor locatie. De afstand kamp stad was minstens 10 kilometer. Naast de locatie valt er nog wel meer op te merken over onze kampeerplekken. Duncan, de hoogste baas van de staf, heeft al meerder malen hele mooie kampen aangekondigd, bij aankomst bleek het vaak nogal tegen te vallen. Twee douches voor ruim tachtig man is niet echt ruim. Lauw water, lees niet echt steenkoud, is bijna altijd het hoogst haalbare. Komisch waren de aangekondigde zwembaden. Die bleken tot nu toe allemaal voorzien van een laag wit schuim, of fanatiek rondzwemmende kleine zwarte beestjes, of een chemisch kleur groen die pijn deed aan de ogen, of een combinatie van deze eigenschappen. Ik heb me nog niet in het water durven wagen.
Naast het fietsen is er nog een toeristische activiteit die we kunnen vermelden. In Maun hebben we met een klein vliegtuigje een vlucht gemaakt boven de Okavango-delta. Omdat we als fietsers per definitie als milieu vriendelijk te boek staan dachten we dit wel te kunnen maken. Toch werden we gestraft. Twee mensen, waaronder Gwen, werden heel misselijk, de rest op één na (en dat was ik niet) was ook heel blij dat na 45 minuten de landing werd ingezet. Gelukkig nog wel veel gezien vanuit de lucht. Vooral veel olifanten, zelfs in het water, giraffen, zebra’s en wat dies meer zij.
KUNNEN WE AL EEN BEETJE FIETSEN?
Matig zou ik zeggen, maar dat is al een stuk beter als toen we begonnen in Egypte.
Voordat we vertrokken had ik een fantasie. We waren natuurlijk niet zo goed getraind, en onze fietsen zijn niet echt van de snelste soort. Maar waarom zouden we, als we er na een maandje fietsen goed inzaten, niet eens een dagje per ongeluk als eerste over de streep kunnen komen. Gewoon een beetje stevig doorgefietst, niet al te veel cola-stops gehouden. Ik had voor de gelegenheid zelfs al een quote bedacht ‘Ach, we moesten toch die kant op’, vrij naar Sjaak Swart begin jaren 70, of was het eind jaren 60. Eenmaal in Egypte had ik al voor de buitenwijken van Cairo door dat het realiteitsgehalte van mijn droom absoluut nul was. Met een stadsfiets als winnaar op de Alp d’Huez aankomen was waarschijnlijker. De enige andere deelnemers die we een beetje konden bijhouden was een groepje mannen van boven de zestig. Helaas vertrokken die meestal ruim voor ons, zodat wij bijna altijd helemaal achteraan bungelden. Waarbij we dan wel kunnen zeggen dat wij zo goed als alles gefietst hebben, als we er waren, terwijl een behoorlijke groep regelmatig gebruik maakte van de truck.
Vanaf de herstart in Arousha, Tanzania konden we wat beter meekomen. Het steeds maar blijven fietsen, en niet voor de truck kiezen, bleek zich uit te betalen. Ik zou zeggen dat nu driekwart van de groep nog sneller gaat, maar de sweep zien we nog maar sporadisch. De racers blijven van een heel andere orde. Wij reden de langste etappe van 210 kilometer met een gemiddelde van 25,8, exclusief al onze pauzes. Goede expeditierijders, in een pelotonnetje, wat heel veel scheelt, deden het met 29 gemiddeld. Jos, de aanstaande winnaar van de race, reed een gemiddelde van ik geloof 33, merendeels in zijn eentje, en zelfs nog inclusief pauzes. In aankomsttijden betekent het snelheidsverschil dat Jos meestal om een uurtje of één binnen is. Wij komen zo rond een uurtje of vier aankakken.
AFRIKA
Ook nog wat over Afrika dan maar, als ik hier toch zit. Deskundigen zeiden het altijd al, ik kan het nu alleen maar beamen. Afrika mag je niet als één geheel beschouwen, zomaar identificeren met hongersnood, burgeroorlog en meer van dat soort ellende. Afrika is enorm divers. Dat het boven de Sahara anders is dan eronder zal zelfs de meeste oppervlakkige krantenlezer wel weten. Maar de verschillen tussen Tanzania, Malawi, Zambia, Botswana en Namibië zijn ook enorm. Gwen merkte op dat het leek dat in Tanzania op het platteland de mensen gekleed waren in wat wij in de Leger des Heils bak storten, terwijl in Malawi de mensen op hun beurt in de afdankertjes van de Tanzanianen lopen. Zambia was weer een stuk rijker dan Tanzania. Botswana en Namibië hebben hun problemen, neem alleen al het feit dat 40% van de bevolking HIV-positief is, maar de steden en stadjes zien er rijk en goed ontwikkeld uit. De doorsnee supermarkt doet echt niet onder voor onze Albert Heijn, de huizen en de auto’s zijn goed onderhouden, de meeste mensen zitten netjes in de kleren. Namibië en nog is sterkere mate Botswana worden vaak gepresenteerd als Afrikaanse succesverhalen waarvoor te weinig aandacht is. Als kanttekening zou ik willen opmerken dat ze een redelijk bevoorrechte positie hebben. Beiden hebben minder dan twee miljoen inwoners terwijl de toeristendollars binnenstromen, in Botswana wordt bovendien op grote schaal diamand gedolven.
AFZIEN
Als laatste een stukje om jullie te laten voelen hoe zwaar we het wel niet hebben. Ik had de dag van 210 kilometer al genoemd. Drie dagen voor deze dag lag ik nog in ons tentje boven op mijn lakenzak omdat het te warm was om erin te kruipen. Twee dagen later lagen we al in de aan elkaar geritste slaapzakken wanhopig naar wat extra warmte bij elkaar te zoeken. De dag van de 210 kilometer lag er ’s ochtends ijs op onze tent, net als op mijn fietszadel. In de tent maten we drie graden. ’s Ochtends om kwart voor zeven op de fiets, het eerste uur vroren m’n vingers er zowat af. Toen kwam de zon pas goed op gang, vanaf negen uur was het weer zweten in de hitte.
Als nagekomen bericht nog een hard cijfer om het afzien te staven. Vijfentachtig kilo woog ik toen ik vertrok. Net even snel op een weegschaal in een winkel gaan staan. Vijfenzeventig kilo is er nog over van mij. Gwen bleek nog op bijna hetzelfde gewicht te zitten. Dat lijkt sowieso een trend onder de rijders, over het algemeen vallen de mannen veel meer af dan de vrouwen. Dus middelbare mannen met een buikje: hup op de fiets, trap een kleine 10.000 kilometer weg, en opgelost is het probleem. (Hans)
PS: Er zijn weer nieuwe foto’s. Zambia en Botswana maar liefst. Het niveau lijkt een zekere fotografeermoeheid te illustreren. Vanaf nu gaan we weer heel erg ons best doen.
zondag 27 april 2008
Verwarring in Windhoek
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
18:13:00
4
reacties
zondag 20 april 2008
Elephant Highway
We zijn aangekomen in Maun, Botswana na vijf fietsdagen vanaf Livingstone, Zambia waar we ons weer bij de groep voegden na een korte “vakantie”. De naam van dit traject (dat nog tot aan Windhoek, Namibië zal duren) is Elephant Highway. Veelbelovend qua naam, maar tot nu toe waren het vooral lange saaie dagen. De eerste nacht hoorden we wel olifanten trompetter (wat behoorlijk eng is als je in je tentje ligt), maar dat kon wel van vijf kilometer verderop komen vertelde de deskundige de volgende ochtend. De volgende dag sliepen we in een bushkamp naast de olifantendrollen, maar ook die dag zagen we slechts wat Sabel Antilopen in de verte en een paar dooie slangen op de weg. Gelukkig werd ons geduld op de derde dag beloond en stonden er eindelijk olifanten langs de weg.
De instructies waren “rustig blijven” en “langzaam terugtrekken als ze met hun oren gingen flapperen”, maar was dat flapperen nu echt flapperen of wuifden ze zich koelte toe? Onze olifanten bleven kalm een vijvertje leegdrinken, maar we hoorden verhalen van medefietsers waar de olifanten wel wat gedreigd hadden.
Naar mate we dichter bij Maun kwamen zouden er ook steeds meer leeuwen zitten. Niet iets om graag op de fiets tegen te komen lijkt me. Ook een reden om 's nachts heel voorzichtig de tent uit te gaan om te plassen! Ter geruststelling werd door de leiding gemeld dat toen er vorig jaar leeuwen op zes kilometer van het kamp waren gesignaleerd de rangers dit netjes waren komen melden.
Botswana lijkt op het eerste oog een stuk rijker en ontwikkelder dan de vorige landen waar we doorheen kwamen. In de supermarkten is van alles te krijgen, we vonden zelfs een zakje Venco muntdrop in de lokale Spar en er moest voor het plastic zakje worden betaald, ook een teken van ontwikkeling. Met maar 1,6 miljoen inwoners is het ook behoorlijk leeg. Het aantal keren per dag dat we zwaaien en hallo zeggen is behoorlijk beperkt, van verveling zeggen we af en toe de koeien en ezels onderweg maar vriendelijk gedag.
Gisteren was de weg bezaaid met “armourplated crickets” (gepantserde krekels?). Lelijke jongens tot wel vijf centimeter groot die zich bezighielden met het opeten van platgereden soortgenoten (zodat ze zelf ook weer platgereden konden worden) een erg onsmakelijk gezicht!
Omdat we zulke lange afstanden maken (de laatste twee dagen waren bijvoorbeeld net boven de 170km) en de reis bijna ten einde is, nog maar drie weekjes te gaan) moest ik voor het eerst aan werk denken op de fiets. Zouden er al nieuwe bermbevers zijn gevonden? Is de financiering van Heijplaat eindelijk rond? Bij de meesten leeft volgens mij het besef dat het bijna voorbij is. Drie weken is natuurlijk ook een behoorlijke “vakantie”, maar wel een die te overzien is, terwijl de vier maanden aan het begin eindeloos leken. Een zekere weemoed maakt zich van de meesten meester. Fijn dat het bijna aan het einde is, maar daarmee is het avontuur dan ook wel meteen voorbij en zal het gewone leven weer moeten beginnen.
Net niet in de prijzen
Om de boel een beetje leuk te houden worden er door de organisatie af en toe prijzen uitgereikt. Natuurlijk bij etappe-winst voor de racers, maar ook de best gekostumeerde op het feestje of de “gemiste afslag-prijs”.
In Livingstone hadden we samen met Kerri en Jo ervoor gekozen om niet op de “met wijn en kaas de rivier af-cruise” te gaan maar op de zogenaamde “booze-cruise”. Een boottochtje met zonsondergang op de Zambezi met BBQ en onbeperkt drinken. Het was enorm gezellig en bij terugkomst in het kamp gingen we vrolijk door in de bar. Toen Hans en ik vanuit de bar naar de tent strompelden bleken we Zuid-Afrikaanse buren gekregen te hebben die op weg waren naar een bruiloft ergens een eind verderop. We werden uitgenodigd om ook nog even gezellig bij hen aan te schuiven voor een borrel en met name ik schijn erg vrolijk geweest te zijn. Zo vrolijk dat ik de volgende dag tot weinig meer in staat was dan brak bij de tent zitten terwijl Hans een helikoptervlucht boven de watervallen maakte.
Groot was mijn teleurstelling dat toen twee dagen later de prijs voor “luidruchtigste nachtbrakers” naar Kerri en Jo ging en ik niet eens een eervolle vermelding kreeg. De dames besloten echter dat ik ook best een prijs verdiend had, zodat ik in de gewonnen chocolade mocht delen. Gezien het nog te fietsen programma denk ik dat ik de booze-cruisen tot Kaapstad maar oversla. Al hebben we in Windhoek natuurlijk wel weer twee rustdagen..... (Gwen)
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
12:30:00
2
reacties
zondag 13 april 2008
Cijfers tot de Victoria watervallen, Zambia
Voor de cijferfreaks het overzicht tot nu toe. Het zijn de gegevens tot aan de Victoria watervallen bij Livingstone, Zambia (Hans’ cijfers, tenzij anders vermeld):
Gefietst: 5200 kilometer
In de truck: Gwen 455 kilometer, Hans 105 kilometer
Gemist: Addis Abeba – Moyale (grens Ethiopie-Kenia) ongeveer 800 kilometer
Kenia in zijn geheel ongeveer 1000 kilometer
Lilongwe-Victoria Falls ongeveer 1100 kilometer
Totale tijd op fiets: 268 uur en 41 minuten
Gemiddelde snelheid: 20,24 kilometer/uur (Dat gaat niet helemaal goed, gemiddelde keer aantal uren is ruim meer dan 5200 kilometer. Het zijn Afrikaanse cijfers zeg maar.)
Langste dag: 8 uur en 32 minuten (langste dag is nog steeds dag 1)
Snelste dag: 29,5 gemiddeld
Langzaamste dag: 12,9 gemiddeld
Hoogste snelheid: 59,5 kilometer/uur
Langste afstand op één dag: 169 kilometer
Als we uitgaan van een totale lengte van de Tour d’Afrique van 12.000 kilometer dan laat een snelle berekening zien dat we nog 12.000-5200-105-2900=3795 fietskilometers hebben te gaan. Dat is niet niks, vooral omdat het in een kleine maand moet gebeuren. In Botswana wacht er een etappe van meer dan 200 kilometer. We duimen nu al voor wind in de rug.
Het is eigenlijk tegen de afspraken met Gwen (steeds om en om een verslag schrijven), maar nu ik jullie toch spreek kan ik nog snel wat informatie kwijt die ik vorige keer was vergeten.
We zijn niet, zoals gepland, met de trein van Lusaka naar Livingstone (Victoria watervallen) gegaan. Volgens de info in Lusaka bij het treinstation waren de sleepers komen te vervallen. Er waren alleen nog maar de harde stoelen van economy-class. Bovendien deed de trein er 36 in plaats van 18 uur over. Dat is voor 500 kilometer minder dan 15 kilometer per uur. Zelfs op de fiets gaan we nog een stuk sneller. Wie durft er nog over de NS te klagen. De kanotocht op de Zambesi hebben we overleefd. Slechts één keer achterstevoren in een stroomversnelling terecht gekomen. Een nijlpaard op een meter of vijf gepasseerd, de gids schrok er een beetje van. Geen krokodil gezien, maar dan zijn ze natuurlijk op hun gevaarlijkst. Een kilometertje voor de Falls verlieten we het water. De opstijgende nevel van de watervallen was als een dreigende waarschuwing al duidelijk zichtbaar.
(Gwen draait zich nu om in bed. ‘Je bent toch niet nog een stuk aan het schrijven.’ Wat een wantrouwen. Ik ga maar eens afsluiten, tot over een tijdje. Hans)
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
12:21:00
3
reacties
donderdag 10 april 2008
Medisch rapport en Malawi en Zambia info
In Lilongwe werd het me, zoals Gwen al schreef, fysiek net iets teveel. Ik voelde me oververmoeid, had een zere keel, hoofdpijn en alle spieren leken zeer te doen. Daarnaast had ik nog zwerende wonden op mijn duim en been. Vooral aan mijn been voelde ik het constant trekken, bijna pijn doen. Af en toe liep er een dun straaltje pus of bloed uit de wond. Koorts had ik gelukkig, zo te voelen, nauwelijks of niet. De rustdag lag ik bijna geheel voor pampus, net als de dag erna na een wandelingetje van een uur. Ondertussen ben ik door de vrije, fiets- en groepsloze dagen redelijk bijgekomen. De duim is bijna genezen, mijn been gaat ook de goede kant op.
Van mijn schoonouders bereikte mij het verzoek geen onsmakelijke foto’s meer op de website te zetten. Een goede relatie met je schoonouders, ik zeg net nog geen ‘ons vader’ of ‘ons moeder’, moet je koesteren, dat weet iedereen. Om mijn medisch exhibitionisme, en jullie eventuele nieuwsgierigheid, toch te bevredigen nog wel een linkje.
Over Gwen is op medische gebied niets te melden, zo gezond als een vis.
Nog wat zaken uit het nabije verleden die ik kwijt wil.
DRUMS
Ergens in Tanzania arriveerden we relatief vroeg in het bushcamp. Om twee uur ’s middags kon je eigenlijk niets anders doen dan in de schaduw blijven. De zon brandde, het was drukkende benauwd. In de verte hoorden we drums. Op het ritmisch geluid werd het land bewerkt, zo vertelden de locals. Om een uur of vijf leek een wandeling voor het eerst verantwoord. Ik liep tussen de hutten door, zag twee kinderen met opgezwollen buikjes. Alle andere kinderen zagen er weliswaar armoedig, maar gezond uit. Het geluid van de drums was moeilijk te lokaliseren, maar een goed Engels sprekend tienermeisje zei me haar te volgen. Op haar hoofd droeg ze een grote bak met zaailingen. Ik volgde haar door het hoge gras, ertussen was het zelfs zo net voor zonsondergang bijna niet vol te houden zo vochtig benauwd. Op een stukje zorgvuldig omgeploegd land, het leek haast machinaal gedaan, was haar familie aan het werk. Vader, moeder, drie kinderen, allemaal met de hak in de hand bezig. Dit is hun leven dacht ik. Samenzijn, en elke dag met z’n allen op het land om net voldoende te oogsten om het vol te houden tot de volgende oogst. Moet je daarvan iets vinden zoals zonde van dat tienermeisje dat zo goed Engels spreekt? De drums overigens niet meer gezien, het geluid stierf in de verte weg.
PINDA'S
Bij aankomst in het eerste kamp in Malawi stond onze tent er al omdat Gwen die dag vanwege haar voet niet had gefietst. Naast onze tent stonden zo'n twintig Malawiers geïnteresseerd te kijken naar alles wat Gwen deed.
Dat was niet veel meer dan op een stoeltje zitten, maar klaarblijkelijk was dat al voldoende om de aandacht vast te houden. Gwen kan echt geweldig op een stoeltje zitten. In ons kamp hielden zich totaal naar schatting nog zo'n twee a driehonderd Malawiers op. In Ethiopië werden alle lokale mensen zorgvuldig buiten het kamp gehouden omdat ze, zo vertelde de staf, nogal eens onze spullen met hun eigen spullen verwarden. Op zich vreemd, kenmerk van de meeste Ethiopiërs is juist dat ze helemaal geen spullen hebben. In Malawi leek het de staf niet nodig om het kamp af te sluiten. Onterecht bleek al snel, van drie fietsen waren de snelheidsmeters ruw afgebroken. Beetje raadselachtig wat Malawiers ermee zouden moeten, met kapot getrokken draad zijn ze waardeloos. Om verdere schade te voorkomen werd er een touw om het kamp gespannen, net als in Ethiopië. De Malawiers moesten zich buiten de afscheiding houden. De volgende ochtend was een behulpzame Malawier al bezig het touw op te ruimen. Wie hem daar opdracht voor had gegeven? Niemand, maar het leek hem verstandig omdat mensen al bezig waren stukken van het touw af te snijden voor eigen gebruik.
Ik had een beetje genoeg van de interactie tussen 80 westerlingen enerzijds en 300 Malawiers anderzijds. Er was zelfs de klassieke scene die ik wel eens van andere overland-expedities had gehoord. Onze kok stond een enorme hoeveelheid kippen te grillen boven een houtskoolvuurtje terwijl tientallen lokale mensen toekeken. Weliswaar is nu niet het seizoen waarin honger voorkomt in Malawi, en moet je als fietser nu eenmaal goed eten, maar het blijft iets ongemakkelijks houden. Ik besloot het kamp achter me te laten, en naar het dorpje anderhalve kilometer terug langs de weg te lopen.
Er was veel gezwaai en geschreeuw vanuit de velden van kinderen die het land aan het bewerken waren, van de volwassenen kreeg ik over het algemene een vriendelijke groet. In het dorpje zag ik de school. Een aantal grote gebouwen, netjes onderhouden. Vreemd was dat alle lokalen leeg waren. Geen bankjes, geen lesmateriaal. Ook geen kinderen trouwens, het was al voorbij schooltijd. Later kreeg ik extra informatie van Engelse studenten die we in de bus ontmoetten. Ze hadden een paar maanden les gegeven op lagere scholen in Malawi. Hoewel de gebouwen heel groot lijken is er toch nog vaak niet voldoende ruimte voor alle kinderen. Meestal zitten de lagere klassen ergens onder een boom met de leraar. De gemiddelde klasgrootte in Malawi is ongeveer 80 a 90 kinderen, lesmateriaal en schoolbankjes ontbreken vaak. Het niveau van het onderwijs is navenant. Een leraar-student vertelde dat kinderen van 12 nog totaal onbekend waren met de tafels van vermenigvuldiging. Een leraar salaris bedraagt ongeveer 35 Euro per maand. Daar kun je in Malawi van overleven, maar is zeker geen vetpot.
Op het marktje in het dorp kocht ik twee porties pinda's, de prijs was 2 keer 10 kwatsja. Mijn kleinste briefje was 200 kwatsja, een kleine euro. Met behulp van wat andere vrouwen op de markt kon het wisselgeld geregeld worden. Ik wilde nog een foto nemen van een vrouw achter haar kraam met uitgestalde stapeltjes vis. Dat lukte echter niet. Binnen een paar seconden waren alle vrouwen van de markt, en zelfs een paar mannen die een eindje verderop zaten te praten, bij elkaar gedromd onder het scanderen van 'foto, foto'. De digitale fotografie heeft tot een enorme verandering geleid in de verhouding tussen toerist en lokale bevolking, tenminste in Afrika. Waar vroeger de mensen huiverig waren van dat rare apparaat, weten ze nu dat het een kans is om een afbeelding van henzelf te zien. Al fietsend langs de weg hoorden we ook menigmaal smeken om foto's.
Op de terugweg naar het kamp had ik nog een aantal ontmoetingen. Eerst meende een man dat het tijd werd dat hij zijn sandalen voor de mijne ruilde. De zijne zagen er echter maar net iets afgedragener uit dan de mijne. Daarnaast ontging me sowieso het idee achter de sandalenruil, behalve dan het algemene concept dat blanken er zijn om dingen uit te delen. De man bleef maar aanhouden, was voor geen rede vatbaar. Uiteindelijk gaf ik hem een handje pinda's, toen liet hij me gaan. Een eindje verderop sprak een middelbare man op een fiets me aan in perfect bijna accentloos Engels. 'Excuse me, I'm am sorry to bother you, but I am terribly hungry.' Eigenaardig was dat hij eruit zag als één van de best doorvoede Malawiers die ik tot nu toe had gezien. Tussen de knoopjes van zijn overhemd was een middelbare leeftijd vetlaag duidelijk zichtbaar. Ik gaf deze man ook een handje pinda's, en hij vervolgde zijn weg op zijn fiets. De volgde man had een overhemd van Macdonalds aan, blauw met de gele M op het borstzakje. Ik probeerde het hem uit te leggen, maar hij begreep er niets van. 'O, no, this is my shirt. The M is from Mbutu, that is my name'. Het handje pinda's dat ik hem aanbood weigerde hij beleefd.
Terug in het kamp bleek er weinig veranderd. Tachtig westerlingen werden bekeken door driehonderd Malawiers.
Het fijne van het achterlaten van de Tour d'Afrique groep is dat je eindelijk eens wat medereizigers ontmoet die een ander verhaal over Afrika hebben te vertellen. In Lilongwe ontmoeten we Adrian, een Zwitser die in 22 maanden van Zwitserland naar Malawi was gefietst. (Zelf de site nog niet gezien, maar zou moeten lukken met www.to-adi.ch zal wel Duits zijn) Hij was heel positief over de gastvrijheid van de Afrikanen, waarbij hij overigens de Marokkanen helemaal bovenaan zijn lijst zette, maar negatief over de toekomst van het continent. 'Iedereen zit vast in traditie, er is geen ontwikkeling, alle vernieuwing komt van buiten' meende hij. Heel Afrika is vergeven van fietsen die voor het vervoer van van alles en nog wat gebruikt worden. Adrian had voor zijn spullen een klein aanhangkarretje achter zijn fiets, een idee dat zeker bruikbaar zou zijn in Afrika. 'Al die tijd hebben welgeteld drie mensen gevraagd hoe het werkte, en gekeken of ze er iets mee konden'.
Een andere ontmoeting was met Andre, een Nederlandse semi-professionele fotograaf zoals hij het zelf noemde. Hij had een auto in Afrika die hij eens in de zoveel tijd samen met zijn vriendin weer een maandje of zo verder reed. (www.imaginature.nl ook zelf nog niet bekeken). Zijn beste verhaal was over een ontmoeting met een groep jager-verzamelaars in Noord-Tanzania. Hij mocht mee op jacht, en met pijl en boog hadden ze een grote baviaan geschoten. Het beest werd ontdaan van zijn ingewanden, en daarna in zijn geheel op het vuur gegooid. Toen de buitenkant verkoold was, en hele stukken van de binnenkant nog bijna rauw, werd begonnen aan het maal. Als eregast kreeg zijn vriendin de rauwe lever aangeboden, Andre mocht de teelballen tot zich nemen.
De tegenstelling tussen Lilongwe en de rest van Malawi is nog een stuk groter dan tussen bijvoorbeeld Dar-es-Salaam en Tanzania.
In één van de armste landen van Afrika vind je in de hoofdstad een winkelcentrum dat niet zou misstaan in een gemiddelde Amerikaanse suburb. Suv's rijden af en aan, middelbare blanke vrouwen met een duidelijk gewichtsprobleem bespreken de laatste roddels onder het genot van een cappuccino. De stad telt een groot aantal restaurants die bijna alleen cateren voor ngo's en wat toevallige toeristen. Voor een maaltijd voor twee zit je al snel op het maandloon van een Malawiaanse onderwijzer.
VRIENDELIJKE TAXICHAUFFEURS
Ondertussen zijn we alweer een aantal dagen in Zambia. Zambia is overduidelijk een stuk rijker dan Malawi. Lusaka lijkt bijna een westerse stad, zonder de grote tegenstellingen zoals je die in Malawi vindt. Erg vriendelijke mensen, de Zambianen. De Malawiers hebben de naam in de reisgidsen ('the warm heart of Africa'), maar wij zouden gaan voor de Zambianen. Zelfs de taxichauffeurs in Lusaka, toch een stad met meer dan een miljoen inwoners, waren vriendelijk en zachtaardig. In het begin was het erg verwarrend, die sympathieke taxichauffeurs. We geloofden het niet, er moest een soort truc achter zitten. Gelukkig probeerde de eerste de beste taxi in Livingstone, de stad bij de Victoria-watervallen waar we nu zijn, ons wel weer voor 20.000 Zambiaanse kwatsjas af te zetten. Eindelijk weer de normale vertrouwde verhoudingen zoals het hoort.
Twintigduizend Zambiaanse kwatsja is overigens, voor een beter begrip, een Euro of vier. Een gang naar de pinautomaat maakt je hier al snel miljonair. Dat is overigens nog niets vergeleken met Zimbabwe. De laatste koers die ik hoorde was 50 miljoen Zimbabwiaanse dollars voor een Amerikaanse. Op de vloer in het hotel vond ik net een muntje uit Zimbabwe. Vijf cent van een Zimbabwiaanse dollar, wat zou je daar nog voor kunnen krijgen?
In antwoord op vragen over onze route: wij zullen met de fiets niet door Zimbabwe gaan. Onze overgang van Zambia naar Botswana gaat via het vierlandenpunt van Namibie, Zimbabwe, Zambia en Botswana. Botswana en Zambia hebben slechts een punt als grens, toch kun je met een pontje over de rivier van het ene land naar het andere. Bij mij weten is er slechts één zo'n vierlandenpunt ter wereld. Ik weet wel van een vierstatenpunt in de VS.
Op de brug die voor de Victoria-watervallen Zambia en Zimbabwe verbindt, middenop ligt de grens, zijn we overigens al wel een stukje Zimbabwe ingelopen. We zijn er geweest, alleen zonder officiële stempel. Illegaal dus eigenlijk, dat is haast nog een beter verhaal.
Plannen voor morgen zijn een kanotrip op de Zambesi. Risico punten zijn de watervallen, de krokodillen en de nijlpaarden.
Op een gegeven moment passeer je het punt waarop de andere kant op peddelen niets meer uithaalt. Onherroepelijk ga je richting rand. Misschien nog wat laatste foto's met mijn schokbestendige onderwatercamera, of hem op filmstand zetten en een snelle boodschap inspreken. Dat zal dan onze laatste bijdrage zijn aan deze site. Hoewel, de kamera belooft schokbestendigheid tot anderhalve meter, de watervallen zijn een stukje hoger.
Bij het omslaan van de kano schijn je minder te vrezen te hebben van de krokodillen dan van de nijlpaarden, maar het hangt waarschijnlijk vooral af van de plek af waar je het doet. Ik weet niet wat een prettiger einde is, per nijlpaard of per krokodil. Per nijlpaard is in ieder geval nuttelozer, de krokodil eet je tenminste nog op.
Oké, alle duizenden toeristen die tot nu toe een kanotrip ondernamen hebben het overleefd, dus misschien is het toch wat minder avontuurlijk dan ik me nu verbeeld. (Hans)
PS: Foto's Malawi ook online.
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
16:59:00
0
reacties
vrijdag 4 april 2008
Spijbelen
Vanochtend toen we de collega-fietsers uitzwaaide voelde het een beetje als spijbelen, we blijven nog een dagje langer in Lilongwe en reizen dan in eigen tempo naar Zambia toe. Het vooruitzicht van de komende lange fietsdagen (vandaag 145km, morgen zelfs 195km), een voortdurende (fiets)vermoeidheid van Hans en de wetenschap dat we nog anderhalve maand voor de boeg hebben deed ons besluiten om maar weer even “vakantie” te nemen.
We zijn op zo’n punt tijdens de reis dat we het gevoel hebben al een hele tijd onderweg te zijn, maar ook nog een heel eind moeten (en in kilometers klopt dat ook). Het zelfde gevoel leeft bij een groot gedeelte van de groep. Sommigen gaan extra hard fietsen om “er maar zo snel mogelijk vanaf te zijn”, een ander telt de dagen (nu 36) totdat hij zijn vrouw weer in Kaapstad in de armen kan sluiten en een derde schrijft een klagerig stukje op een weblog. Kortom, het enthousiaste sprankelende van de eerste weken is er een beetje af. Ik verwacht dat het vanaf Victoria Falls (over een dag of 10) wel weer beter zal worden, het eind is dan in zicht, het doel bijna bereikt. De komende twee weken zullen meerdere groepsleden net als wij dan ook even een paar dagen ertussenuit gaan om hopelijk verfrist weer terug te komen.
Wij kunnen onze fietsmoeheid gelukkig omzetten in een stukje reizen door Afrika en proberen meer zien dan de weg en de berm waar een groot deel van Afrika tot nu toe uit lijkt te bestaan.
Ons plan is om morgen naar Chipata in Zambia te reizen (met de minibus naar het laatste stadje in Malawi, dan een gedeelde taxi naar de grens, en dan nog busje) en de volgende dag door naar Lusaka (de hoofdstad). Hans wil dan heel graag met de trein doorreizen naar Victoria Falls, maar de informatie die we daar nu over hebben is wat beperkt dus het is onduidelijk of dat gaat lukken. Aansluiten bij de groep kan weer in Lusaka (als de trein niets wordt) of in Victoria Falls waar we sowieso al twee rustdagen zouden hebben.(Gwen)
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
14:10:00
1 reacties
donderdag 3 april 2008
Tanzania foto's update
Onderstaande stuk van Hans al uit? Er zijn nu ook foto's van het laatste stuk Tanzania online gezet.
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
10:46:00
1 reacties
woensdag 2 april 2008
Kerkbezoek, albino's en andere interessante zaken
Beloofd is beloofd. Voor diegenen die al bijna twee weken in spanning zitten te wachten, en voor alle anderen trouwens ook, nu eindelijk het verslag van ons kerkbezoek in Dar-es-Salaam.
Religie speelt in Afrika een grotere rol dan bij ons, dat zal iedereen wel bekend zijn. Toen we Arousha, een middelgrote Noord-Tanzaniaanse stad, op een zondagochtend rond acht uur uitfietsten waren de kerken al druk bezet. Van alle kanten klonk gezang door de stad, variërend van door halleluja geroep en handgeklap ondersteunde swingende gospels, tot aan de wat monotoon afstekende liederen die wij kennen van onze Protestante kerken.
Ook bij binnenkomst van Dodoma, de officiële hoofdstad van Tanzania, was de kerk duidelijk aanwezig. Ik overdrijf maar een beetje als ik vertel dat elke tweede gebouw langs de toegangsweg een kerk was. Sommigen kerken waren grote, keurig onderhouden stenen gebouwen. Anderen niet meer dan een wrakkig houten schuurtje met een kruis erop en een spandoek om te vertellen welk soort Christenen er te vinden was, en wanneer er dienst was. Elk ander gebouw was trouwens, weer met enige overdrijving, een horeca gelegenheid. Gwen en ik concludeerden dat er veel behoefte aan troost en steun was, en dat die op alle mogelijke manieren werd geboden.
NAAR DE KERK
Twee weken gelden dus, op weg in Dar-es-Salaam om kaartjes voor de bus te kopen, werden we door een aantal keurig in uniform wit overhemd en donkerblauwe lange rok gestoken jongedames aangesproken. Of we hun kerk, de ‘Universal church’ wilden bezoeken. Op ons enthousiaste ‘Ja’, nou ja vooral dat van mij, reageerden ze een beetje verbaasd. We kochten de buskaartjes, hadden daarna wat moeite de juiste plek te vinden, maar werden ditmaal tot aan de ingang gebracht door een jongeman die een soortgelijk wit-blauw uniform droeg. Naar binnen gaan bleek niet zo gemakkelijk, iedereen stond net met zijn handen in de lucht luidkeels te herhalen wat de voorganger op het podium aan het verkondigen was. ‘Jesus is the Lord’, ‘He will bring salvation’ en meer one-liners van gelijke strekking. Wat kerkgangers werd gemaand even wat minder enthousiast mee te doen zodat wij ook een plaatsje konden vinden. Helemaal achter in leek mij het veiligst. Onze begeleider drong aan op een plek onder een grote plafond-ventilator, een goed idee want zelfs zonder mee te doen deed de klamme hitte ons al overdadig transpireerden . De zaal was gevuld met een paar honderd mensen, allemaal goed gekleed en keurig verzorgd. Wij waren de enige blanken. Dit was zeker geen armen-kerk. De lange magere voorganger, een Mozambicaan hoorden we later, sprak in het Engels, waarna alles onmiddellijk, met dezelfde enthousiaste intonatie, vertaald werd in het Swahili door zijn hulpje. Achterin de kerk stond een hele rij kerkmedewerkers in hetzelfde uniform dat we al op straat hadden gezien.
Het grootste gedeelte van de kerkdienst werd gevormd door twee ‘getuigenissen’. Eerst een man, daarna een vrouw, vertelden hoe hopeloos hun leven was geweest totdat ze zich hadden aangesloten bij de ‘Universal church’. Deze getuigenissen, gebracht in interview-vorm, waren in het Swahili, maar wij kregen een kerkmedewerkster achter ons gezeten die in uitstekend Engels alles voor ons simultaan vertaalde. De man was altijd arm geweest, had geen huis, kon zich voor vervoer amper een buskaartje veroorloven, totdat hij zich bij de ‘Universal church’ had aangesloten, en zich aan de door Jesus gegeven regels hadden gehouden. Nu had hij een eigen huis, een auto die momenteel voor de deur van de kerk stond, een bloeiend bedrijf en was gelukkig getrouwd. Onze simultaan-vertaalster voegde nog toe dat hij tien procent van al zijn inkomsten aan de kerk doneerde, het gebruikelijke percentage. In de tweede getuigenis vertelde een vrouw hoe ze altijd een kind had willen hebben. Via allerlei ‘witch-doctors’ had ze hulp gezocht. Niets baatte echter, totdat ze zich had aangesloten bij de ‘Universal church’. Als bewijs stond haar zoontje van een jaar of vijf naast haar.
Wat mij, even samenvattend, opviel aan de getuigenissen was dat de kerk vooral gericht leek op het oplossen van praktische persoonlijke problemen en het verkrijgen van maatschappelijk succes.. Zaken als spirituele verheffing of naastenliefde kwamen geheel niet aan de orde. In een artikel in de bundel ‘Ebbenhout’ van de Poolse journalist Kapuscinski (zeker lezen als je meer wilt weten over achtergronden en het dagelijks leven in Afrika) had ik al gelezen over dit soort kerken. De manier van werken is grofweg gezegd als een soort ‘Rotary-club’ voor de middenklasse. Men helpt elkaar verder in het maatschappelijk leven. Lid worden kan niet zomaar, je moet al een bepaalde maatschappelijke status hebben voordat je toegelaten wordt.
Een andere opvallende zaak was de grote rol van ‘witchcraft’, magie of tovenarij zeg maar, in het verhaal van de vrouw die zwanger wilde worden. Steeds had ze haar hulp bij ‘witch-doctors’ gezocht, ook op aandringen van haar ouders en haar schoonfamilie. Nog interessanter was dat de kerkmedewerkster die voor ons vertaalde ‘witchcraft’ niet zomaar af wilde doen als iets duivels of bijgelovigs. Nee, het was zeker iets om rekening mee te houden, tenminste als zwarte Afrikaan. Maar de krachten van Jesus en de ‘Universal church’ waren natuurlijk sterker. (Ook hierover, de verhouding tussen Afrikanen en ‘witchcraft’ vind je uitstekende artikelen in de bundel van Kapuscinski.)
De voorganger hield na de getuigenissen een preek waarin hij benadrukte dat bidden heel belangrijk was, maar niet het enige. Je moest wel zelf solliciteren naar die baan, of een bedrijf starten, of naar de dokter gaan als je ziek was. Hij noemde ook expliciet AIDS.
Op het einde van de kerkdienst werd door de kerkmedewerkers met twee langwerpige doeken een groot kruis gevormd boven het middenpad. Iedereen kreeg briefjes uitgereikt waarop hij zijn wensen of op te lossen problemen kon zetten. Op het podium werd er nu alles aan gedaan om de zaal tot extase te brengen. Onophoudelijk werd er luid verkondigd ‘Jesus is the Lord’, de zaal mocht na elke keer hetzelfde terugschreeuwen, met de handen in de lucht. Terwijl dit nog steeds luider en luider werd verkondigd, en teruggeschreeuwd, liep iedereen onder het doeken kruis door, en gooide zijn briefje met de opgeschreven wens op het kruis. Ik moet zeggen dat ik niet geheel ongevoelig bleef voor het geheel, en bijna hoopte dat de sfeer nog verder opgehitst zou worden. Er leek een soort bevrijding in de lucht te hangen. Overigens toonden de geüniformeerde kerkmedewerkers zich zo goed als ongevoelig voor de opgezweepte toestand. Zij bleven juist kalm rondlopen, onderwijl zoveel mogelijk iedereen observerend. Ons idee was dat dit gebeurde om mensen die al te extatisch werden een beetje te kalmeren. Maar we hebben ze geen enkele keer zien ingrijpen. Nadat iedereen onder het kruis was doorgelopen werd er langzaam weer naar kalmer water gemanoeuvreerd.
Wij waren ook uitgenodigd onze wensen of problemen op een briefje te zetten. Onze beleefde excuus dat het iets te onverwacht kwam werd geaccepteerd. Later bedacht ik dat we zelfs als we gewild hadden we niets op hadden kunnen schrijven. Voor mensen om me heen zou ik nog wel wat kunnen opschrijven, genoeg zelfs. Maar voor Gwen en mij? Zo vreemd kan het leven zijn in het westen, niets te wensen meer over.
ALBINO’S EN KERSTPAKKETTEN
Op mijn vroegere reisleiders mailtjes kreeg ik nog wel eens kritiek van vrienden met antropologische achtergrond, of in ieder geval interesse. Ik zou teveel op zoek zijn naar het afwijkende sensationele in plaats van de overeenkomsten. Oké, de mensen in Tanzania, en Malawi ondertussen, lijken in een heleboel opzichten ontzettend op ons. Maar sommige zaken gaan hier toch echt anders.
In een Engelstalige Tanzaniaanse krant lazen we een bericht dat we moeilijk konden plaatsen. Het ging over de raadselachtige verdwijning van albino’s. Onlangs was er weer een albino-tweeling spoorloos verdwenen. Albino’s vormen in zwart Afrika een niet zo vaak voorkomend, maar wel opvallende verschijnsel. Wij zagen er in vier weken Tanzania een drietal. Gwen en ik vroegen ons af waarom die Albino’s verdwenen. Onze vermoeden was dat afwijkingen van het normale als slecht voorteken werden gezien, daarom moesten ze verdwijnen. Ik weet dat op Bali tot in de vroege 20ste eeuw tweelingen na de geboorte ter dood werden gebracht.
De volgende dag stond in de krant een artikel dat aanvullende informatie gaf. De werkelijkheid was nog iets exotischer. Albino’s verdwenen omdat zakenmensen, maar vooral vissers en mineraaldelvers, geloofden dat een ledemaat van een albino succes voor de werkzaamheden garandeerde. Een hulporganisatie riep de regering op onmiddellijk tot maatregelen ter bescherming van albino’s over te gaan. Om alles in perspectief te plaatsen waren er ook cijfers. In 2006 waren 26 albino’s op onverklaarbare wijze verdwenen.
Nog een wat minder exotisch verhaal. Zoals vaak in traditionele culturen zie je ook in Tanzania en Malawi vooral de vrouwen aan het werk. Zij dragen het brandhout, het water, bewerken het land. Mannen zie je ook op het land, en in de stadjes in de niet landbouw-beroepen. Maar op het platteland zijn ze toch vaak een beetje aan het fietsen, lopen, of gezellig met z’n allen langs de kant van de weg aan het zitten. Vrouwen doen dat ook, gezellig bij elkaar zitten, maar dan is het gelijkertijd een markt. De Nederlandse eigenaren van een overnachtingsplaats langs het Malawi-meer vertelden dat ze hun personeel afgelopen december op een kerstpakket hadden getrakteerd. Toch mooi die westerse verworvenheden die op deze manier doorsijpelen naar plekken waar men het veel minder goed heeft. Van de vijf mannelijke personeelsleden lieten drie hun kerstpakket staan. Een man draagt geen dingen. Ze stuurden later hun vrouw om het pakket naar huis te dragen.
OP DE FIETS
Ondertussen hebben we alweer twee weken gefietst sinds de onderbreking na Ethiopië.. We zitten nu in Malawi. Een van de armste lande van Afrika, en dat was duidelijk merkbaar na de grensovergang. Het deed denken aan Ethiopië, vooral kinderen zijn vaak in niet meer dan lompen gekleed. Op het platteland verbouwt iedereen gedurende de regentijd het voedsel dat ze door de droge tijd heen moet helpen. Valt er een keer wat minder regen, of juist teveel waardoor alles wegspoelt, dan dreigt onmiddellijk hongersnood. Een geldeconomie bestaat voor het merendeel van de bevolking nauwelijks. Het gemiddeld jaarlijks bruto nationaal product per inwoner van Malawi is iets van 100 US geloof ik. Ook hier, net als in Ethiopië, is de helft van de bevolking onder de 16.
Wij fietsen er als een soort vreemde wezens doorheen. Zeggen iedereen vriendelijk hallo. Meestal krijgen we een vriendelijk hallo terug, of er wordt als eerste naar ons geschreeuwd ‘He Mzungu’ (He blanke). Regelmatig horen we ook hier van kinderen ‘Give me my money’. Ik denk niet dat ze de ideologische boodschap willen overbrengen dat eigenlijk al onze rijkdom over hun ruggen is vergaard, en dat daarom alles wat we aan ze geven sowieso al van hun was. Het is meer gebrekkige kennis van het Engels. In de dorpjes, als we een cola-stop houden, blijken de mensen bijzonder vriendelijk, en spreken de volwassenen juist soms verassend goed Engels (aan de andere kant niet zo verwonderlijk, Engels is een officiële voertaal)
Wat nog meer te vermelden? De regentijd, die momenteel op zijn einde zou moeten lopen, zorgt voor afwisselend, maar soms bijzonder vermoeid fietsen. Het ene moment wordt je door de zon in de beklemmende hitte niet als door één mokerslag getroffen, maar door een niet aflatende reeks van slagen. Bij elke pedaalslag is er weer een nieuwe mokerslag op je hoofd, of ga ik nu te ver. Als er geen verkoelende wind is, bijvoorbeeld bergop, of als je even pauzeert, gutst het zweer in golven van je af. Dan komt de regen. Soms een verfrissende licht buitje, soms zo hard dat het bijna pijn doet, en je raakt zo mogelijk nog doorweekter als dat je van het zweet al was. Bergaf kan een probleem worden omdat je veel te sterk afkoelt. Gwen mat 16C in een regenbui, dat is geen pretje als je kleddernat van een helling afsuist.
Kortom we lijden wat af in dit bijna armste land van Afrika. Maar wij hebben er in ieder geval zelf voor gekozen.
In de groep doen de zware omstandigheden een aanslag op de gezondheid. Veel mensen lopen rond met ontstoken wondjes, meestal veroorzaakt door muggenbulten of valpartijen bij het fietsen. Door de vochtigheid genezen de wondjes niet snel, tropische bacteriën doen de rest. Gwen heeft een ontsteking op haar voet, bij het fietsen geeft het weinig problemen, lopen gaat wat moeilijker. Ze heeft van de tour dokter anti-biotica gehad, het lijkt nu aan te slaan. En ik? Ik heb een ontstoken nagelriem. Au! (Hans)
CHAGRIJNIG STUKJE
(Dubbel zo chagrijnig omdat ik hetzelfde gisteren ook al had ingetikt. Toen ging er iets mis tussen de laptop, mij, en de slaapstand (van de laptop voor alle duidelijkheid). Resultaat was dat een uur tikken verdwenen was. Maar eventjes gevloekt.... Nu alles opnieuw ingetikt)
Het bovenstaande had jullie al afgelopen weekend vanuit Mzuzu moeten bereiken. Mzuzu is één van de vier steden die Malawi rijk is, aldus informatie van de overheid. Het centrum bestaat uit vier vijf nette straten met banken, overheidsgebouwen en een grote westerse supermarkt. Verder zagen we een wijk voor de rijken. De villa’s leken op engelse cottages, inclusief engelse tuin, waar een plotje mais midden in het gazon nog een Malawiaans tintje gaf.
Het duurste hotel in de stad zou internet hebben. Verbinding bleek echter na een uur proberen op geen enkele manier te leggen. De receptioniste ried ons allerlei magisch handelingen aan, zoals opnieuw opstarten, ze had zo als helpdeskmedewerkster aan het werk gekund, maar niets hielp. Ik vroeg wie de verantwoordelijk persoon was, of die er misschien naar kon kijken. ‘On holiday’ was het antwoord.
De ochtend erna fietsten we voor de zoveelste keer in de koude regen. Van overal klonk weer het ‘Give me (my) money’, sommigen staken hun open hand al uit om onze gulle gaven in ontvangst te nemen. De dag ervoor las ik in de krant over een diplomatiek relletje tussen Malawi en China. De Chinese ambassadeur had gezegd dat het hem irriteerde dat er constant gebedeld werd om giften. Hij vond dat het tijd was dat de mensen van Malawi zelf eens wat initiatief toonden in plaats van de oplossingen steeds van anderen te verwachten. De rel was netjes opgelost, de ambassadeur had het nooit zo bedoeld, of zelfs gezegd, daarnaast had China hem vervangen omdat dat toch al de bedoeling was.
Waar komt dat constante gebedel vandaan? Die associatie van blanken (of chinezen tegenwoordig) met geld uitdelen. Voor zover ik weet hoort het niet bij de Afrikaanse cultuur (corrigeer me maar deskundigen). Ik kan het me van Azië niet op deze schaal herinneren. Bovendien hoort het daar vaak wel bij de cultuur, maar dan blijft het beperkt tot invaliden, ouderen, of anderen die niet voor zichzelf kunnen zorgen.
Bovenstaande had ik vandaag op de fiets bedacht. Gelukkig verdween de koude en de regen in de loop van de dag. Bovendien werden we heel vaak wel rustig gegroet vanaf de kant van de weg. Tegen het einde van de middag stopten we voor een colaatje. Een wat oudere man vroeg belangstellend over onze reis. Zelf wachtte hij op de bus om naar de dokter te gaan. Hij hoorde rare kloppende geluiden in zijn oor, gisteren was er zelfs bloed uit gelopen. Zijn tocht naar de dokter ging via minimaal tweemaal overstappen in stadjes een flink stuk verderop. De bus arriveerde, de passagiers hingen uit de ramen. En toen hoorde ik iets geweldigs. In de bus werd door de passagiers voluit gezongen, het leken vooral meisjesstemmen, waarschijnlijk een religieus lied. Het klonk licht en zonnig. Wat een geweldig continent, waar de mensen zingend in de bus zitten, wie zou daar niet willen wonen? Ik liet de man nog snel de foto zien die ik net van hem en het cola-winkeltje had gemaakt. Half-half verwachte ik dat hij een meer dan gemiddeld goede bariton zou zijn, en dat hij al zingend op de bus zou stappen. Maar het bleek niet zijn bus te zijn. ‘Too expensive’ legde hij uit. Hij moest op een ander, aftandser, drie keer zo vol exemplaar wachten.
Laatste nagekomen bericht. Vandaag 1 april de eerste dag zonder regen gehad. Dat komt precies overeen met wat in de reisgidsen staat, de regentijd duurt tot eind maart. Wie zegt dat er wat mis is met het klimaat?
2 april: aangekomen in Lilongwe. Voet van Gwen bijna genezen, zelfde geldt voor mijn duim. Hoewel het er tussendoor wel heel eng heeft uitgezien. Helaas geen foto.
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
19:50:00
0
reacties
zaterdag 22 maart 2008
Weer op de fiets en Habari safari?
De eerste kilometers op de fiets zitten er weer op. Het waren zeven fietsdagen die zo mooi begonnen met een heerlijk kort dagje (120 km over asfalt) zodat we rond twee uur in het kamp kwamen. Kamp was een echte camping, met douches, wc’s en een bar waar koude biertjes te koop waren. Het leek zowaar wel vakantie.
Helaas werden we de volgende dag weer op het rechte spoor gezet. 110 kilometer over onverhard met een aantal behoorlijke klimmetjes.
Hans zit weer op de fiets
De verwachte 110 km bleken er 120 te zijn, met de laatste tien over vers omgeploegde weg (waar zijn de Chinezen?) zodat we om half zes het bush-camp in rolden, de tent op konden zetten en na 30 seconden uitgeput op de matjes liggen werden gesommeerd voor de “ridersmeeting” en het avondeten. Ouderwets dus. De overige dagen waren iets korter en de vierde eigenlijk een makkie met maar 95 km over relatief goed onverhard. Ware het niet dat mijn billen toen al in een dusdanige staat waren dat rijden over de geringste hobbel al behoorlijk zeer deed. Het eerder gekweekte zitvlees was dus inderdaad verdwenen.
Temperaturen zijn ook behoorlijk omhooggegaan ten opzichte van het begin van de tour. s’Ochtends starten we met een aangename 20 C, dat loopt snel op tot in de 30 C als het bewolkt is, als de zon brandt dan is het nog heter. Het regenseizoen is bijna op z’n eind, vaak dreigt het wel tegen het eind van de middag en ’s avonds hebben we al een paar regenbuien gehad, maar dan liggen we toch uitgeteld in de tent.
Een dreigende bui
Tijdens het fietsen is zo’n bui zelfs heerlijk verkoelend, alleen de weg wordt er dan niet beter op. De laatste dag naar Iringa (mooi op een bergtop gelegen, dus klimmen) zijn we wel vreselijk nat geregend. Het koelde behoorlijk af en we kwamen redelijk verkleumd aan in het Baptisten conferentiecomplex waar we de welverdiende rustdag (1e Paasdag)mogen kamperen.
Maar genoeg over het fietsen en het wegdek, vlak voor vertrek hebben we namelijk nog een safari gedaan waar ook nog het nodige over te vertellen is.
Tanzania staat voornamelijk bekend om de Kilimanjaro en safari’s. Hoewel een aantal groepsleden de Kilimanjaro heeft beklommen leek dat ons een te grote fysieke uitdaging tussen het fietsen door, dus wij gingen op safari.
In onze LP reisgids staan een aantal aandachtspunten voor het kiezen van een safari-bedrijf. Één: koop nooit een safari op straat maar altijd bij een kantoor en twee: betaal nooit voordat je hebt uitgezocht of het bedrijf waarmee je gaat betrouwbaar is.
Ons plan was om de dag na aankomst in Arusha te gebruiken om een goede safari te zoeken.
Bij aankomst op het busstation in Arusha werd ons echter een lift aangeboden naar de camping. De Jeep moest er toch langs om twee dames af te zetten die de volgende dag op een drie-daagse safari zouden gaan. We gingen mee en raakten met de dames aan de praat. Zij hadden de safari geboekt in Dar es Salaam en waren al blij dat ze van het busstation werden opgehaald als teken van betrouwbaarheid van het safari bedrijf. De dames werden bij hun hotel afgezet en de safari-man reed met ons naar de camping (Héé, zou dat niet op de weg liggen?) en probeerden ons te overtuigen om de volgende dag mee te gaan.
Eigenlijk zou het ons wel goed uitkomen om de volgende dag te vertrekken, dat zou ons voor het fietsen nog twee volle dagen geven om een wasje te doen, de fietsen rijklaar te maken etc. Maar de goede raadgevingen uit de reisgids dan?
Ach, we vertrouwden er maar op dat de twee dames zich niet zouden laten beetnemen en besloten mee te gaan. Gladstone, de safari-man, wilde dan wel graag een aanbetaling van 100.000 shilling (ongeveer EUR 60) en hij zou ons de volgende ochtend om half negen ophalen.
De volgende ochtend stond de Jeep (of eigenlijk Toyota Landcruiser voor de puristen) om negen uur aan de poort, dat viel best mee. We reden langs het hotel van de twee dames en daar bleek er een vijfde persoon, een jonge Duitser, ook met ons mee te gaan. Naar het kantoor, waar aan de twee dames werd uitgelegd dat het door hen geboekte programma omwille van onze wensen was gewijzigd, niet naar een derde park op dag drie te gaan, maar naar de Serengetti plains om de migratie te zien. (Onze wensen? Zo was de safari aan ons verkocht…) de dames gingen akkoord, we betaalden en de safari man moest met onze Tanzaniaanse Shillingen naar de bank om daar weer US-dollars van te maken. Dat zou een kwartiertje duren.
Anderhalf uur later waren we bijna gereed om te vertrekken. Alleen moest onze oorspronkelijke gids (een vriendelijk uitziende rasta) om onduidelijke redenen nog even geruild worden voor Jackson, onze nieuwe gids.
We vertrokken, er moest alleen nog even worden getankt en boodschappen gedaan, zodat we om een uur of twaalf Arusha uitreden.
In de drie dagen die onze safari zou duren zouden we Lake Tangangire, de Ngorongoro krater en de Serengetti plains bezoeken. Lake Tangangire bezochten we aan het eind van de eerste middag, we zagen redelijk wat olifanten, apen en giraffes.
’s Avonds vertelde Jackson dat hij een probleem had. De Duitser Michael had een tweedaagse safari geboekt en de rest van het gezelschap moesten drie dagen worden onderhouden. Als hij een 24uurs toegangskaartje kocht en pas om een uur of 11 het park in zou gaan zou dat ons de volgende ochtend nog tot 11 uur geven om de plains te bezoeken, maar als hij Michael morgen weer naar Arusha wilde sturen zou hij om één uur weer op de bus gezet moeten worden en zo wel een erg korte safari hebben.
Wij legden hem uit dat we een driedaagse safari hadden geboekt, de volgende dag ook graag vroeg in het park wilden zijn en dat hij op dag drie maar een nieuw kaartje moest kopen en anders zijn baas maar moest bellen. Dat deed hij en wij dachten dat alles in orde was. De volgende dag gingen we vroeg naar de Ngorongoro krater. Hier leeft een enorme hoeveelheid en verscheidenheid aan dieren. Het deed bijna aan de Beekse Bergen denken, zo weinig trokken de dieren zich aan van de aanwezigheid van de auto’s. We zagen Hyena’s op de weg, zwarte neushoorns, leeuwenwelpjes, parende leeuwen, kortom teveel om op te noemen en hadden een geweldige safari.
Volgens de instructies zouden we de volgende dag om zes uur aan het ontbijt moeten zitten, een ochtend “drive” doen naar de Serengetti Plains en terug komen naar het kamp voor de lunch. Om kwart over zes was er inderdaad thee en wat biscuitjes. Om half zeven sommeerde Jackson dat we moesten gaan. Héé we zouden toch ontbijt krijgen? Nee, we zouden voor een ochtenddrive gaan en dan terugkomen voor ontbijt om op tijd het park weer uit te zijn, het 24uurs probleempje. We gingen met z’n vieren maar akkoord, onder voorwaarde dat Jackson ons na afloop weer op het kantoor zou afzetten zodat we met Gladstone de baas zouden kunnen praten. We vonden het namelijk niet echt een driedaagse safari, maar eigenlijk net een tweedaagse terwijl we wel voor drie volle dagen hadden moeten betalen. De ochtenddrive was ook nog redelijk teleurstellend omdat we (bleek achteraf) niet voldoende tijd hadden om helemaal naar de locatie van de migratie te rijden. Terug in het kamp moesten we een uurtje wachten vóór het ontbijt, en een uurtje daarna. Toen reden we terug naar Arusha. Onderweg werd ook nog een te lange lunchstop gemaakt zodat we eind van de middag pas bij het kantoor aankwamen. Gladstone was niet aanwezig maar wel een medewerker die een cursus klantvriendelijkheid had gevolgd. Na een uur zinloos gepraat, de medewerker had niet voldoende mandaat om ons geld terug te geven, werd afgesproken dat we de volgende ochtend terug moesten komen om met Gladstone verder te overleggen. Sterker nog, ze zouden ons ophalen op de camping respectievelijk het hotel.
De volgende ochtend besloten we om (een uur na de afgesproken tijd) zelf maar richting kantoor te gaan. Toen we er bijna waren werden we voorbij gereden door de Jeep, die ons net had gemist op de camping.
Het hele verhaal, driedaagse safari betaald, tweedaagse gekregen nog een keertje aan Gladstone verteld. Ook hij bleek niet in staat om ons een bedrag terug te geven (we mochten wel een middagje op excursie naar het platteland). Maar na weer een uurtje praten kwam de hoogste baas tevoorschijn. Verhaal weer verteld, baas bezorgd voor reputatie van bedrijf (voordat ik het vergeet: roots of africa) en uiteindelijk kregen we ongeveer eenderde dag terug ($ 50 per persoon). Eigenlijk meer dan dat we hadden verwacht.
Tip voor de aspirant safari ganger: zoek toch maar eerst een goed en betrouwbaar bedrijf uit, we zagen andere Nederlanders veel lekkerder eten, een lampje krijgen toen de stroom uitviel en een blijere indruk maken.
Tenslotte bereikte ons het teleurstellende bericht dat ons TV optreden een beetje tegen was gevallen. Ik was sowieso al niet gefilmd, maar Hans zijn deskundige commentaar was er ook vakkundig uitgeknipt (misschien omdat hij steeds schichtig in de camera keek denkt hij zelf). Excuses aan de mensen die speciaal voor ons de hele uitzending hebben uitgezeten. (Gwen)
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
15:48:00
3
reacties
zaterdag 15 maart 2008
De vakantie voorbij
Vanaf morgen, 16 maart, mogen we weer op de fiets. Onder de douche voel ik af en toe voorzichtig aan mijn billen. Ik hoop de eeltknobbels die zich daar ontwikkeld hadden weer terug te vinden. Maar helaas, na drie weken niet fietsen alleen maar zacht vlees. Zouden we weer de zelfde lijdensweg moet gaan als destijds in Egypte? We houden jullie op de hoogte. De volgende etappe wordt maar liefst zeven dagen fietsen achter elkaar. De eerste dag geheel over asfalt, de tweede dag nog een kilometer of tien, en vanaf dan rode aarde of stenen. Daarbij hebben we het geluk dat de regentijd op uitbarsten staat, dus het zal wel rode modder worden. Het sterkste verhaal over vorig jaar was 12 kilometer in 2 uur. Het filmpje waarbij de fietsers tot aan hun assen en knieën in de modder stonden haalde zelfs nog een redelijke populariteit op You-tube. Heel lollig vonden we toen…
Zoals jullie weten hebben we ons fiets-zitvlees hoofdzakelijk verspeeld op Zanzibar. Suzanne, een Baobab reisleider collega van mij, woont het grootste gedeelte van het jaar op Zanzibar met haar man Boblee en sinds kort dochtertje Tessa. Zij heeft ons wat adviezen gegeven wat te doen. (Suzanne’s website).
Eerst hebben we wat dagen doorgebracht in Zanzibar-stad. Het oude gedeelte staat bekend als Stone-town. Het is een enorm doolhof van oude handels- en woonhuizen. Het eiland wordt al eeuwen bewoond door een gemengde bevolking van Afrikanen, Arabieren en Indiers. Tot halverwege de 19e eeuw vervulde het een belangrijke rol in de slavenhandel aan de Afrikaanse oostkust.
Dankzij Suzanne’s fietsen kunnen wij zeggen dat, terwijl sommigen van onze medefietsers Kilimanjaro aan het beklimmen waren, wij per fiets de hoogste berg van Zanzibar bedwongen (125 meter volgens sommige bronnen, anderen noemen zelfs 137 meter).
Na Stone-town trokken we richting Nungwi, een plaatsje in het noorden van Zanzibar. In de vorige bijdrage hebben jullie al kunnen zien hoe zwaar het leven daar was. Een lauw-warme groen-blauwe zee, het had eigenlijk meer weg van een enorme bad, vol met vrolijk gekleurde vissen. Overdag zwom je er gezellig tussen, ’s avonds zorgde één van de vele restaurantjes langs het strand ervoor dat ze op je bord lagen.
Voor de twijfelaars om Noord-Zanzibar als volgende vakantiebestemming te kiezen is er misschien nog een laatste argument om ze over de streep te trekken. Tijdens het vis eten zijn er hele goede gesprekken te voeren over de toestand van Tanzania. Onder de medetoeristen zijn de blonde Scandinavische jongedames duidelijk oververtegenwoordigd en bijna allemaal blijken ze in het ontwikkelingswerk te zitten.
Afscheid van Zanzibar
Na Nungwi gingen we per boot een stukje over de Indische Oceaan richting Dar-es-Salaam. Het mooie van Dar-es-Salaam is vooral de naam (letterlijk: haven van vrede). Hetzelfde geldt trouwens voor Addis Ababa (letterlijk: nieuwe bloem). In Dar-es-Salaam bleken bijna alle winkels gesloten te zijn vanaf zaterdagmiddag drie uur. Wij kwamen een uur later aan. De volgende dag bleek het centrum het meest weg te hebben van pakweg Emmeloord op een zondagmiddag (aangenomen dat die zichzelf ondertussen ook niet tot toeristisch trekpleister hebben uitgeroepen, en volop koopzondagen houden). Uiteraard zag het er wel wat minder verzorgd uit, maar het maakte een verassende rijke indruk. Misschien ook omdat we net Ethiopië achter de rug hadden. Een groot verschil met Emmeloord op zondagmiddag was wel dat veel winkels volcontinu beveiligd werden door een gewapende bewaker. Ze hadden een geweer, maar vaak ook zo’n riot-gun, waarvan je uit films weet dat een schot iemand volkomen doormidden schiet. In de verder bijna verlaten straten wisten we niet of we ons heel veilig moesten voelen, of juist helemaal niet.
Dar-es-Salaam
Wat moet je op zo’n verloren zondag anders dan naar de kerk? Op straat werden we aangesproken of we geïnteresseerd waren in een bezoek aan de ‘Universal church’.
Helaas moet ik melden dat jullie het verdere verslag over het bezoek aan de ‘Universal church’ nog tegoed houden. Onze fietsen zijn enigszins gehavend uit de truck-rit Addis Ababa-Aroesha gekomen. Beide frames hebben behoorlijk wat lak verloren. Om te zorgen dat het staal niet te hard gaat roesten in de komende regentijd moeten we de afgeschaafde plekken bedekken. Het beste lapmiddel schijnt nagellak te zijn, maar Gwen heeft alleen roze bij zich, ik helemaal niets. Vanmiddag is de laatste kans om doorzichtige nagellak te scoren (of misschien zelfs blauw of oranje). Daarnaast zijn we onze extra drinkflessen kwijt. Hoe dat gebeurd kan zijn is ons een raadsel, maar ze zijn wel essentieel om verantwoord te kunnen doorfietsen. Kortom, we moeten snel de stad in boodschappen doen.
Ondertussen proberen we al wel weer nieuwe foto’s online te zetten (Tanzania 2008).(Hans)
Nagekomen bericht van een trouwe lezer:
Attentie, attentie!
De uitzending van Waar is de Mol over fietsen in Afrika, starring Hans en Gwen is a.s. maandag 17 maart, 22:30 op Veronica. Zegt het voort!
Met groet, Sake
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
14:03:00
5
reacties
donderdag 6 maart 2008
Groeten vanaf Zanzibar
Helaas zijn we te druk in Nungwe, Noord Zanzibar om uitgebreid verslag te doen. Ter troost een paar sfeerbeelden en de Ethiopië foto's zijn bijgewerkt.
(Hans en Gwen)
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
16:24:00
2
reacties
zaterdag 1 maart 2008
Van Addis Ababa tot Zanzibar
Door de ontoegankelijkheid van onze weblog vanuit Ethiopië en omdat we niet constant Gwen’s zus wilden lastig vallen heeft de volgende bijdrage wat langer moeten wachten.. Jullie geduld wordt echter beloond. Om het goed te maken dit keer extra lang!
OP DE FIETS
Vanaf Addis Ababa hebben we de Tour d’Afrique in de steek gelaten. Het idee om in 8 dagen naar de Ethiopisch-Keniaans grens te fietsen om daarna per bus gelijk rechtsomkeer te maken naar opnieuw Addis Ababa viel bij ons psychologisch net iets te zwaar.
Een kritische geest zou kunnen opmerken: naar Kaapstad fietsen om daar per vliegtuig rechtsomkeer naar Nederland te maken, wat is het verschil? Uiteindelijk eindigt alles wat je doet weer bij het uitgangspunt. Dit soort diepe gedachten houdt ons echter niet bezig. We genieten simpelweg van ruim drie weken Ethiopië en Tanzania anders dan vanaf de fiets.
De harde cijfers liegen nooit. Het overzicht van Cairo tot Addis Ababa. (Hans’ cijfers, tenzij anders vermeld):
Gefietst: 3505 kilometer
In de truck: Gwen 334 kilometer, Hans 105 kilometer
Totale tijd op fiets: 170 uur en 55 minuten
Gemiddelde snelheid: 20,39 kilometer/uur
Langste dag: 8 uur en 32 minuten
Snelste dag: 29,5 gemiddeld
Langzaamste dag: 12,9 gemiddeld
Hoogste snelheid: 59,5 kilometer/uur
Langste afstand op één dag: 169 kilometer
Wat moet er nog gemeld worden over het fietsen?
De complete Tour d'Afrique route in Ethiopië telt 19.000 hoogtemeters. Voor de niet zo in wielertermen ingevoerden: hoogtemeters zijn het totaal aantal meters dat je omhoog gefietst hebt, zonder daar de meters naar beneden vanaf te trekken. Dus 100 meter omhoog, 50 naar beneden, en daarna weer 200 omhoog, geeft 300 hoogtemeters. 19.000 Hoogtemeters, dat is ruim twee keer de Mount Everest op. Wij hebben ongeveer een derde van het Ethiopië programma laten schieten, maar een dikke Mout Everest hebben we zeker achter de rug.
Tussen Bahir Dar en Addis Ababa de befaamde ‘Blue Nile Gorge’ overwonnen. Eerst in 19 kilometer 1400 meter naar beneden, voornamelijk over gravel en steenslag, daarna in 21 kilometer weer 1600 meter omhoog. Gelukkig bijna allemaal geasfalteerd. In meestal de allerlichtste versnelling haalde ik ongeveer 6 a 7 kilometer per uur. Na drie en half uur zweten in de middagzon, inclusief pauzes, was ik van het laagste punt weer helemaal boven. De allersnelste wedstrijdrijder deed het in anderhalf uur. Volgens onze medefietsers stond de beklimming gelijk aan en stevige Alpencol. Ik geloof het graag.
Verder redelijk relaxed gefietst. De laatste dagen voor Addis Ababa gedroegen de kinderen zich stukken beter. De laatste twee dagen was er geen enkel incident met stenen gooien, en ook veel minder het eisende 'give me money' als antwoord op ons vriendelijk Salam. Zie verder het laatste stukje van Gwen.
De groet die nog wel moet worden vermeld is ‘Where are you go?’ Naast het ‘you-you-you’ telden we die veruit het meest. Duizendvoudig werd er dezelfde grammaticale fout gemaakt. Als ik netjes ‘Addis Ababa’ had geantwoord hoorde ik vijf meter achter me alweer dezelfde vraag uit vele kindermonden naar Gwen worden geschreeuwd. Soms was er sprake van zelfwerkzaamheid en riep men in één keer ‘Where are you go Addis Ababa’.
Over het waarom van het stenengooien door de kinderen hebben we in de vakliteratuur twee mogelijke verklaringen gevonden:
1. Teleurstelling dat we niet stoppen. Men zou heel graag nader contact met de ’ferenjies’ (buitenlanders/vreemdelingen) willen maken. Uit frustratie gaat men stenen gooien.
2.‘Ferenjies’ worden als zodanig alien beschouwd dat alles is toegestaan. Het is juist interessant om de gekste dingen te proberen om te kijken hoe ze reageren. Denk aan een klein kind dat de hamster met stokjes prikt, of de kat aan de staart optilt. Het besef dat het andere wezen ook zoiets als pijn of ongemak kent ontbreekt.
Geen van twee verklaringen lijkt me afdoende. Dat men teleurgesteld is als we doorrijden geloof ik graag. Maar op zich is dat geen reden om iemand een steen na te gooien. Ik ben ook wel eens teleurgesteld in iemand, toch ga ik dan niet onmiddellijk op zoek naar een baksteen of stoeptegel. Bovendien gaat het voorbij aan het feit dat we soms in een regelrechte hinderlaag terecht kwamen, stenen van onzichtbare kinderen in de bosjes of velden.
Misschien bevat de tweede verklaring een kern van waarheid. Toen wij als ‘normale’ toeristen rondreisden waren er veel minder incidenten. Soms schrok ik zelf bijna als ik een medefietser zag. Helm, spiegelende zonnebril, handschoenen. En daarbij strakke kleding, vaak korte broek, iets dat in Ethiopië als je niet op de fiets zit totaal ongebruikelijk en onbetamelijk is.
Stenen gooien is trouwens sowieso iets dat in Ethiopië veelvuldig gedaan wordt. Ze zijn overal ruim voor handen. Koeien, schapen of een groep kinderen krijgen al snel iets in hun richting gegooid als ze de verkeerde richting op gaan, of iets anders doen dat niet de bedoeling is.
Laatste opmerking over dit onderwerp: de Ethiopische volwassenen waren zo goed als altijd rustig, vriendelijk en voorkomend. Het waren slechts de kinderen die soms problemen gaven. Maar ja 50% van de 75 miljoen inwoners van Ethiopië is onder de 16, het is geen uit te vlakken groep.
TEGENSTELLINGEN
Het mooie van fietsen is dat je een land als het ware door de achterdeur binnenkomt. Geen glimmende aankomsthal van een internationaal vliegveld bij een grote stad, maar een aftands uit golfplaten opgebouwd douanekantoortje. De eerste dagen Ethiopië maakten diepe indruk op me. Het deed me denken aan beelden van Cambodja onder het Rode Khmer regiem. De mensen, geen grammetje vet te bekennen, waren in weinig meer dan vodden gekleed. Iedereen vanaf een jaar of zes had of iets bij zich om het land te bewerken, of een stok om het vee te hoeden. Er was geen enkele mechanisatie zichtbaar, zelfs het gebruik van dieren voor bijvoorbeeld ploegen zag je maar weinig. Bijna alles werd gedaan door mensenhanden. Vervoer van spullen naar een lokale markt gebeurde door een eindeloze stroom mensen die alles op hun hoofd of rug droegen, een enkele ezel daargelaten, over de stoffige bergpassen, vele kilometers ver.
Na twee dagen zouden we in de eerste stad aankomen, Gondar. Ik verwachtte een enorme slum met zo mogelijk nog ergere armoede dan op het platteland. Niets was minder waar. Vijftien kilometer voor de stad begon het asfalt. Opeens zagen we keurig in de verf zittende hoogbouw, mannen in pak, modieus geklede vrouwen. Ik heb zelden zo’n enorme tegenstelling gezien. Bij nadere beschouwing moest het beeld wel wat bijgesteld worden. Gondar kende nog meer dan genoeg krottenwijken en kansarme scharrelaars. En het platteland dat we tussen Gondar en Addis Ababa zagen was duidelijk beter af dan het platteland vlak na de grens. Maar het beeld van Ethiopië als land van enorme tegenstellingen bleef gehandhaafd. Het gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking is 100 US per jaar. Toch zie je in de steden genoeg cafeetjes met een inrichting die bij ons ook door de beugel zou kunnen, het terras zit vol met goed geklede mensen. Naast het cafe kan een verveloos krot staan, op de stoep zitten bedelaars, kleine kinderen die kauwgom en papieren zakdoekjes verkopen, iedereen leeft zijn eigen leven. In Soedan waren de tegenstellingen veel minder evident.
Het meest absurd wordt de situatie als wij, de westerse toeristen, op de proppen komen. In Lalibela, twee busdagen van Addis Ababa verwijderd, maar vrijwel alle toeristen doen het per vliegtuig in 40 minuten, zijn een aantal schitterende in de rotsen uitgehakte kerken te zien. De westerse toerist betaalt bijna 25 dollar voor een entree ticket. Dat is een kwart van het jaarinkomen van Abebe (Jan) Modaal in Ethiopië. In Lalibela vind je een luxe hotel, een eindje verder langs dezelfde weg is het de reinste Middeleeuwen. Maar wat moet je als ‘onschuldige’ toerist met deze tegenstellingen. Je kan niet aan iedereen geld gaan uitdelen, zelfs al zouden ze er niet constant om vragen. Jij hebt toch niet om die tegenstellingen gevraagd, hadden ze zelf het geld en de kansen onderling niet wat beter kunnen verdelen. Waarom lijken de mensen in Lalibela niet te profiteren van al het geld dat de toeristen binnenbrengen, wordt zeker de oorlog met Eritrea mee bekostigd, of een mooi ministerie in Addis Ababa. En waarom is de helft van de bevolking onder de 16 jaar, bestaat 40% van de staatsbegroting uit donaties van de rijke landen. Het lijkt een situatie die niet anders dan catastrofaal kan eindigen.
Ik weet niet zo goed hoe ik dit stuk moet afsluiten, zou graag tot een soort van antwoord willen komen, maar vrees dat het er niet inzit. Misschien heeft iemand anders nog ideeën?
MISVERSTANDEN
‘They are such terrible people, but I guess it is because they are so desperate’. Dat is wat een medefietser over de Ethiopiërs zei na wat negatieve ervaringen. Een volkomen fout oordeel, gebaseerd op een totaal gekleurde Noord-Amerikaanse bril, getuigend van een gebrek aan inlevings-, voorstellings- en relativeringsvermogen. Als ik vriendelijk wil zijn noem ik het een misverstand.
Door de enorme verschillen tussen wij, de westerlingen, en zij, de Ethiopiërs, gaat dat sowieso van een leien dakje hier, misverstanden.
Bij ons in de bus zat een toekomstig leraar Engels, nog één jaartje en dan mocht hij voor de klas. De conversatie was al meermalen stroef verlopen omdat zijn kennis van het Engels bijzonder middelmatig bleek. Bij aankomst in Lalibela deden we nog een laatste poging. 'Do you know where hotel 'The Seven Olives'' is?' Hij dacht zeker 20 seconden heel hard na, en kwam toen met zijn antwoord: 'Tomorrow'.
In het hotel werd het ontbijt elke dag standaard geserveerd met een omelet. Ik had er genoeg van, en vroeg of ik misschien een gekookt ei zou kunnen krijgen. 'Is possible, but will take very long', was het antwoord. Hoelang dan was mijn vraag. 'Twenty minutes' was het antwoord. Hoe kookt men in Ethiopie in hemelsnaam eieren vroeg ik me af.
Twee maal macaroni besteld. De ober vraagt 'two macaroni'. 'Yes' beantwoorden we blij dat de boodschap is overgekomen. 'Two pasta', zegt de ober nog een keer. Oké, als je zo wilt noemen best, nog een keer zeggen we blij 'yes'. Ruim een half uur later komen er vier enorme borden binnen, twee met macaroni, twee met spaghetti.
Nog twee zaken die ons in de horeca bevreemdden. De vraag 'warm of koud' als je een biertje of cola bestelde. En de vraag of het flesje moest worden opengemaakt. 'Nee, laat maar dicht, kijken naar een biertje is al voldoende eigenlijk.' Maar misschien was de openen-vraag vooral bedoeld om beleefd te zijn.
ALLES IS ANDERS
Met de bus naar Lalibela vanuit Addis Ababa. Ik zal jullie het hele reisverhaal besparen. Twee dagen honkebonken over een slechte weg, bijna constant lokale muziek over kapotte krakende luidsprekers, meestal op een volume dat bijna alles overstemde behalve de herrie van de motor. Heerlijk was het, vooral toen het voorbij was. Ook nog vermeldenswaard is dat voor de tweede dag, waarop we een tweetal moeilijke passen moesten nemen, de hele bus en alle passagiers door een orthodoxe priester werd gezegend. Een groot kruis werd tegen iedereen zijn voorhoofd gedrukt, daarna mochten ze het twee keer zoenen. De Ethiopiërs werden er zichtbaar rustiger van. Op ons had het juist een averechts effect. Wat gaat er komen dat slechts met behulp van een hogere macht te overwinnen valt.
's Ochtends wachten op de bus
Ik wilde echter alleen het ticket bespreken. De tekst is geschreven in het Amhaars, de offciele taal van Ethiopië. Amhaars is een Semitische taal, net als het Arabisch en Hebreeuws. Als enige taal bezuiden de Sahara heeft het een schrift ontwikkeld (wel volkomen onleesbaar, maar vooruit, het is een schrift – dat was dus een poging tot humor). Het ticket zelf is niet te lezen voor ons, maar de ingevulde gegevens heeft men in Latijns schrift gedaan. Hierdoor is gemakkelijk op te maken om welke gegevens het gaat.
Passagiers: Has en Gwyen (Oftewel Hans en Gwen)
Vertrekdatum: 14-6-2000 (Hè???? O, ja, ze hebben een andere jaartelling. Ze liggen ruim 7 jaar achter, het tweede millennium is net begonnen. Bovendien valt oud-en-nieuw in september, en is februari dus maand 6 ipv 2)
Tijdstip: 11.00 (Lijkt mee te vallen, maar in Ethiopië is het 12.00 als de zon opkomt, niet als hij op zijn hoogst staat. 11.00 uur is dus 1 uur voor zonsopgang, oftewel 5.00 ’s ochtends. Om kwart voor vijf waren we aanwezig, uiteindelijk reed de bus om half zeven onze tijd het busstation uit.)
Has en Gwyen op 14-6-2000 om 11.00 wordt dus Hans en Gwen op 22-2-2008 om 5.00 uur 's ochtends.
Oké, dat was lang zat dacht ik. Nog even voor de voor de volledigheid onze toeristische activiteiten sinds ons vertrek uit Addis Ababa.
Met de bus in twee dagen naar Lalibela. Onderweg overnacht in Dessie, interessant omdat het een doorsnee Ethiopisch stadje was. Onderweg kennis gemaakt met een redelijk aantal van onze medebuspassagiers. De Engelse woordenschat varieerde van 2 tot 8 (aantal woorden). De toekomstige leraar Engels kende er flink veel meer, maar sprak ze voor ons bijna allemaal onverstaanbaar uit. Hetzelfde gold vice versa als wij wat tegen hem zeiden.
Een van de rotskerken in Lalibela
In Lalibela de in de rotsen uitgehakte orthodoxe kerken bezichtigd. Fantastisch. Ik ben zelfs nog op zondagochtend om zes uur 's ochtends naar een kerkdienst gegaan. De kerk zelf was niet toegankelijk, er konden sowieso niet al teveel mensen in. Bijna iedereen stond buiten en las de bijbel mee, bij de gezangen werd er door de massa, gekleed in lange, min of meer witte gewaden, soort van mee geneuried. Hele speciale ervaring om bij te zijn. Later ook nog een mooie bergwandeling gemaakt.
In Aksum, meer naar het Noorden, de stelea (obelisken) bekeken die daar in grote aantallen zo'n 2000 jaar geleden zijn neergezet. Daarnaast is er de kerk die volgens de Ethiopische orthodoxe kerk de oorspronkelijk Ark van het verbond bevat, door Mozes ooit ontvangen in de Sinai als ik het goed heb. In tijden lang her is de Ark door de zoon van de joodse koning Salomon en de Ethiopische koningin van Sheba uit Jeruzalem meegenomen. De Ark zelf kan je uiteraard niet zien. Zoals iedereen weet uit Indiana Jones' 'Raiders of the lost Arc' zou bij de aanblik onmiddellijk een vuurzuil neerdalen waarna er niet meer dan een halve asbak vol met stof van je overblijft. Om dit de voorkomen is de Ark veilig opgeborgen, en mag je zelfs het gebouw tot op maar 20 meter naderen, tenminste mannen. Vrouwen moeten nog verder wegblijven. Voor die laatste extra restrictie zal ongetwijfeld een goede reden zijn......
Vrijdag 29-2 gaan we van Addis naar Zanzibar. Tropisch strand, ook wel eens lekker.
Daar is de beurt qua weblog weer aan Gwen. Vanaf 16 maart wordt er weer gefietst.
ENGELSE LES
Nog een nagekomen bericht. Op straat in Aksum vroeg iemand of we wilden assisteren bij het geven van een Engelse les. Geen probleem, het leek ons wel interessant. De leerlingen mochten ons allerlei vragen stellen, wij antwoordden. Het ging over Nederland, voetballen, ons gedachten over Ethiopië en Afrika, en dat soort zaken. Toen stelde de leraar zelf een vraag. 'Stel dat je door een homoseksueel met AIDS, een Soedanees dus, met een machinegeweer gedwongen wordt tot sex, wat kies je dan: sex of je laten neerschieten?' En voor Gwen dezelfde vraag maar dan met een lesbienne, uiteraard ook uit Soedan. Leerzame vragen. We hoorden van de leraar dat er in Ethiopië geen homoseksualiteit voorkwam, in Soedan wel heel veel. In het onwaarschijnlijke geval van een Ethiopische homoseksueel werd de persoon in kwestie geëxecuteerd aldus de leraar. Als antwoord hebben we een pleidooi gehouden voor een wat liberale houding ten opzichte van homoseksuelen. We kregen niet de indruk dat het enorm veel indruk maakte.
JAMBO
Ondertussen op Zanzibar aangekomen. Van ruim 2400 meter hoogte en best wel fris zodra de zon weg was, naar tropisch zeeniveau. Een warme klamme deken die dag en nacht over alles heenligt. Jammer dat we de langzame overgang van de verschillende klimaatzones niet hebben kunnen meemaken.
'Jambo' is de begroeting hier. Volgens de reisgids houdt deze groet in 'He, blanke, hoe gaat het, jij spreekt vast geen Swahili'. Mogelijke antwoorden zijn 'Sijmabo' 'Met mij gaat het goed, en brand maar los in Swahili', of Jambo 'Best goed, dank je, en Swahili weet ik inderdaad niets van'. Mooie compacte taal dat Swahili. Wij houden het voorlopig maar op Jambo. (Hans)
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
10:12:00
3
reacties
donderdag 21 februari 2008
Ethiopië op de fiets
We zijn nu twee weken in Ethiopië, waarvan negen fietsdagen. Vooraf waren we gewaarschuwd, een prachtig land, maar vol met stenen gooiende kinderen.
Ethiopië is inderdaad vol met mensen. Zelfs op het platteland is er altijd wel iemand in zicht en meestal loopt er een colonne volk, al dan niet met vee, langs de weg.
De reden dat de kinderen stenen gooiden, was ons verteld, was omdat ze aandacht wilde hebben en contact zochten met de “ferenji” (buitenlanders). Aldus gewaarschuwd en in de wetenschap dat in de periode voordat wij langsfietsen al zeker 40 fietsers voorbij zouden zijn gekomen die niet voor ieder kind aandacht hadden gehad voerde wij de tactiek: beter tien keer teveel “salaam” (hallo) gezegd dan één keer te weinig. Naar iedereen (kind en volwassene) die wij voorbij fietste riepen wij vrolijk “Salaam”of “Hello” als ze nog niets van zich hadden laten horen. Van de volwassenen reageerde 99% hierop positief met “Salaam noe” (hallo hoe maakt u het), “welcome” of vriendelijk geknik. Af en toe stopte er zelfs een auto, ging het raampje naar beneden en werden we welkom geheten in Ethiopië.
De meeste kinderen lieten vooraf al van zich horen. De wijze waarop verschilde van dorp tot dorp. De eerste dagen was het vooral veel “youyouyou”, een term waar je even aan moest wennen voordat je vriendelijk terug salaamde. Later werd er vooral “Ferenji” geroepen. Door de allerkleinsten terwijl ze van blijdschap bijna in hun broek leken te plassen zodat ook daarop door ons weer enthousiast gezwaaid, hello-d en gesalaamd werd.
Andere kinderen begroetten ons met “moneymoneymoney”, de kleinsten weer zo enthousiast dat je niet dacht dat ze wisten wat ze precies riepen dus kon er worden teruggezwaaid. De iets oudere kinderen waren soms met een strenge “salaam” ook tot beleefdheid te dwingen, maar anderen bleven soms vervelend lang meerennen (bergop gingen we niet zo hard) met kreten die varieerde van “give me money”, “give me all your money”, “give me the money” en “pen pen pen”. De meesten kon je met vriendelijk gelach wel duidelijk maken dat het onbegonnen werk was. Een paar stonden klaar met stenen in de hand.
Per dag hebben we honderden kinderen gezien en gegroet. Het aantal keren per dag dat er stenen werden gegooid varieerde van maximaal vijf (waarvan 1 raak) tot nul. De kleinere potentiële stenengooiers kon je meestal afbluffen door nog even streng achterom te kijken of te wijzen dat je gezien had dat hij of zij stenen in de hand had. De keren dat er wel gegooid is was vaak van verder weg (boven de weg of vanuit het veld) of uit onverwachte hoek (na een braaf heen en weer gesalaam alsnog van achteren). Ik ben uiteindelijk twee keer door stenen geraakt, Hans had één tak in zijn achterwiel en één steen tegen zijn fiets (wel toen hij met hoge snelheid een berg afzoefde, dus best gevaarlijk). Dat valt dus reuze mee!
Van anderen hoorden we ergere verhalen, ik vermoed dat onze salaam-tactiek ons geholpen heeft.
Inmiddels zitten we dus in de grote stad. Hier wordt niet iedereen meer door ons gegroet (al was dat even wennen), maar af en toe roept er nog wel iemand enthousiast “welcome”. De groep is vanochtend zonder ons doorgefietst. Tot 29 februari zullen we ontdekken hoe Ethiopië is als je niet op de fiets zit maar bijvoorbeeld in de bus. Daarna gaan we even relaxen op Zanzibar (dan is er pas echt er reden tot jaloersheid bij de achterblijvers!).
De eerste foto’s van Ethiopië staan als het goed is ook online.
(Gwen)
(ja ja, weer door Tyra geplaatst)
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
22:51:00
0
reacties
dinsdag 19 februari 2008
Afzien
Er kwam bij ons wat voorzichtige kritiek binnen over de weblog. Of er misschien wat meer antropologische beschouwingen en verhalen over de culturele achtergrond van de befietste gebieden opgenomen konden worden. Het volgende stukje poogt een antwoord te geven waarom we op deze punten tot nu toe in gebreke zijn gebleven.
(Door de slechte bereikbaarheid van onze weblog in Ethiopië volgt nu pas het stuk dat voor een week geleden bedoeld was. We zijn ondertussen veilig en wel in Addis Abeba aangekomen. Het verslag over onze Ethiopische wederwaardigheden volgt binnenkort.
Voor de oplettende alles-lezer die overlap opmerkt met de laatste tekst van Gwen: maak je geen zorgen, we lezen elkaars bijdragen heus wel :-). Één keer past het in de lijn van het verhaal, één keer, over de dode dieren in Soedan, denk ik leuk te zijn…
Allerlaatste toevoeging: er zijn nieuwe foto’s van Soedan! )
AFZIEN
Na aankomst in Khartoum was er geen reden meer om te klagen over de kou. Het temperatuur verloop in onze drie dagen in de stad was 25C, 31C en 33C. Bij 25C had nog maar ruim de helft van de Khartoumezen zijn dikke winterjas aan, bij 31C was het al een minderheid. Tijdens de vier lange fietsdagen van Khartoum naar de Ethiopische grens, steeds zo’n 140 tot 150 km, ging de temperatuur verder richting normale Soedanese waarden voor de tijd van het jaar. Onze medefietsers maten temperaturen boven de 40C, tot aan 47C aan toe. Ik weet zeker dat de metingen niet voldeden aan de standaarden van het KNMI, maar midden op de dag zaten we zonder twijfel ver in de 30.
Behalve de afstand en de hitte kreeg ik een bijkomend probleem. Om te fietsen moet je eten, heel veel. En drinken, zo mogelijk nog meer, vooral als het heet is, erg heet.
Over de hoeveelheid eten die de Tour d’Afrique ons voorschotelt kunnen we niet klagen. Wel over de variatie. Elke dag waren er met lunch dezelfde pita broodjes. Hoe verder van de laatste boodschap plaats, hoe uitgedroogder. Het beleg, tomaat, komkommer, jam, pindakaas, regelmatig tonijnsalade, leverde minder problemen op, maar de broodjes kon ik nog slechts met de grootst mogelijke moeite naar binnen krijgen. beetje stoffig beetje zoutig
Daarnaast krijgen we per dag twee energie-repen. Regelmatig zien we een uiterste consumptiedatum die al ruim verstreken is. Maar het spul is gegarandeerd 100% vrij van enig natuurlijk ingrediënt zodat we ons daar geen zorgen om maken. Wel riep de helemaal uit E-nummers opgebouwde smaak steeds meer weerstand uit de maag op.
Drinken leverde nog een groter probleem op. Het water dat we krijgen is lokaal getankt, en moet heftig gechloreerd worden om het voor ons drinkbaar te maken. Naast water krijgen we, zoals Gwen al schreef, FF (Fast Fuel). Een laf smakend drankje gemaakt uit het zelfde gechloreerde water met een poedermengsel van zout en suiker. Probeer dat maar eens weg te krijgen als het in je bidon is opgewarmd tot badwatertemperatuur. Toch moet je per dagdeel minstens een 2-3 liter water en FF wegwerken. Ik dwong mezelf, tot aan misselijkheid aan toe.
en beetje vermoeid
Je wilt drinken, heel veel drinken, maar alles wat je kan drinken staat je tegen. Je wilt eten, heel veel eten, maar elke hap staat je tegen, maakt je misselijk.
En toen kwamen we in Ethiopië. Dezelfde toestand als in Soedan, met slechts twee kleine wijzigingen. Het asfalt verdween en werd steenslag of los grind, en geen glooiende vlakte meer, maar bergen. Gwen heeft het al verteld, maar ik moet het nog een keer vermelden. Hellingen tot 13%, terwijl de Alp d’Heuz met asfalt net de 10% haalt. En dan zitten ze nog onder de doping ook. Ons beste klimprestatie tot nu toe was geloof ik de Hollandse brug tussen Amsterdam en Almere. Nu moesten we kilometers achter elkaar omhoog. Elke keer hopen dat het de volgende bocht de laatste zou zijn, steeds maar vloeken, tieren schelden omdat het weer verder omhoog ging. Eindelijk naar beneden wilde je vaart maken, maar er was nergens een glad stuk. Alles trilde, schokte, deed pijn, kilometers lang, en dan weer opnieuw omhoog.
Ergens onderweg omhoog verdwijnt alles, is er alleen nog de helling. Er is geen stoppen, er is niets anders dan omhoog moeten. Zelfs als ik wist dat ik uiteindelijk van mijn fiets zou vallen, misschien zelfs dood zou neervallen, toch zou ik doorgaan. Beter dood dan opgeven, zo voelde het op de fiets. Niets in de eeuwigheid zou me er van weerhouden die @#$% helling te bedwingen. Ik bedacht nog dat het volgende stadium zou zijn: was ik maar dood, dan kon ik opgeven. Een andere legitieme reden om op te geven leek er niet te zijn.
Ik tik dit een paar dagen later op een hotelkamer. Het lijken nu wel erg grote woorden. Als ik het echt niet meer had gekund had het gezonde verstand waarschijnlijk toch wel weer toegeslagen. Denk ik nu. Maar toen niet.
Na die eerste dag in Ethiopië kwam ik s’avonds om kwart voor zeven aan als allerlaatste aan. Ik kreeg een applaus van de rest. Gwen was, totaal op en verstandiger dan ik, ’s middags al in de truck gestapt, had onze tent al opgezet, en verzorgde me liefdevol (welkomswoord: ‘he, halve gare’) . Eten kon ik nauwelijks, en toen ik hoorde dat de volgende dag nog zwaarder zou zijn besloot ik mijn eerste dag in de truck door te brengen. Mijn wat meer getrainde medefietsers maakten die volgende dag mee wat ik op Ethiopië dag 1 al voor mijn kiezen kreeg. Vanuit de truck zag het er fantastisch uit. Achteraf dacht ik, had ik het ook niet moeten doen. Nog kapotter, nog dichter bij het uiterste. Wat zou het mooi zijn geweest het toch te halen.
Voor ouders en andere mensen die zich eventueel zorgen zouden aan maken: we blijven echt wel verstandig, vooral Gwen. De laatste twee dagen fietsen in Ethiopië waren gemakkelijk en ontspannen, tot Addis Abeba wacht ons alleen nog asfalt (en de Blue Nile Gorge, 1200 meter naar beneden, daarna aan de andere kant weer 1200 meter omhoog, misschien moeten de Ethiopiërs eens bekend worden gemaakt met het concept ‘brug’)
Daarom dus maar weinig nieuws over culturele zaken. We zijn alleen maar heerlijk aan het afzien. Vanaf Addis Abeba komt er verandering. Dan zijn we drie weken fietsvrij.
NAGEKOMEN SOEDAN NIEUWS
Eerste indrukken kun soms bedrieglijk zijn. Daarom wat opmerkingen achteraf.
De gemelde verkeersluwheid in Khartoum werd vooral veroorzaakt door de vrijdag gebedsdag, en de vrije zaterdag. Op zondag, een gewone werkdag, was alle rust opeens verdwenen. Met de taxi zaten we klem in een file, we deden ruim een uur over het ritje terug naar de camping.
Het liberale klimaat in Soedan werd door sommige medefietsers tegengesproken. Zij waren op de camping aangesproken door Soedanezen die vonden dat alle vrouwen uit onze groep ten alle tijden hun haar bedekt moesten houden. Daarnaast kregen mensen commentaar toen ze een rol biscuit deelden tussen mannen en vrouwen. Het zou niet goed zijn als mannen ook door vrouwen genuttigd, dus onrein, voedsel zouden eten. Het laatste vond ik een beetje eigenaardig. Zoiets had ik nog nooit eerder gehoord, in geen enkel moslimland.. Die opmerkingen over het haar bedekken waren trouwens ook vreemd. In Khartoum zelf liep minstens een kwart van de vrouwen zonder hoofdbedekking, en dat leek geen enkel probleem te zijn.
Wat wij van Soedanezen in Khartoum hoorden was dat het klimaat heel strikt Islamitisch is geweest tot een jaar of vijf geleden, maar dat sindsdien zaken veel vrijer geworden zijn.
Richting grens van Ethiopië werd de behandeling van vrouwen duidelijk minder liberaal. Uiteindelijk leverde het een bijna Noord-Pakistaans straatbeeld op. In de dorpjes bijna alleen maar mannen op straat, vrouwen totaal onbenaderbaar, meestal alleen maar zichtbaar glurend vanachter een schutting of door de deuropening.
Mijn respect voor de mummificatie techniek van de oude Egyptenaren is enigszins afgenomen. Zoals Gwen al vertelde lag in Soedan langs het eerste drukke stuk weg na Khartoum het ene na het andere kreng (dierenlijk). Alle soorten, honden, katten, ezels, koeien, dromedarissen, buffels, wat je maar kon bedenken, en in alle mogelijke stadia, opgeblazen als een ballon, omgeven door een wolk van vliegen en weeïgheid, maar uiteindelijk vaak als een perfect geconserveerde mummie. Wel hoe dichter bij de weg, hoe platter. Soms kwam je haast in de verleiding zo’n honden-haardkleedje, dromedaris of pakezeltje mee naar huis te nemen. Maar wat moet je ermee? Eenmaal thuis verhuist dat spul natuurlijk, zoals altijd, naar zolder.
(geplaatst door Tyra, want ze zijn nog steeds niet online)
Gepost door
Lekker fietsen in Afrika
om
21:07:00
3
reacties